Winkelgebieden in stadskernen staan onder zware druk. In de periferie rijzen meer en meer shoppingcentra en baanwinkels op. Steeds meer kernwinkelgebieden kampen met toenemende leegstand. Een neerwaartse spiraal die niet alleen economische gevolgen heeft, maar ook de leefbaarheid en dynamiek van de stadskern fnuikt, en daarmee een onmiskenbaar negatieve invloed heeft op het sociale weefsel.
“Vlaanderen moet een eigen winkelbeleid kunnen ontwikkelen om deze nefaste socio-economische evolutie te keren,” menen Vlaams parlementsleden Martine Fournier en Robrecht Bothuyne.
De IKEA-wet die onder de paarse regeringen vorm kreeg, had in principe de bescherming van de leefbaarheid van stadskernen op het vlak van mobiliteit, economische dynamiek en leefkwaliteit tot doel. Hiervoor kon op basis van socio-economische afwegingen sturend worden opgetreden bij vergunningsaanvragen voor grote handelsvestigingen. In de praktijk werd onder de vorige bevoegde ministers weinig gebruik gemaakt van deze optie. De shoppingcentra en baanwinkels buiten de stadskern schieten als paddenstoelen uit de grond. De druk op de economische activiteit in de stads- en gemeentekernen, neemt exponentieel toe.
De dienstenrichtlijn (van kracht sinds 28 december 2009) zou dit proces nog hebben versterkt, ware het niet dat de federale regering de IKEA-wet tijdig amendeerde zodat het pure vrije markt-denken waarvoor de richtlijn staat, in België alsnog wordt gecorrigeerd. Een aantal - niet strikt economische - afwegingen, blijven mogelijk en werden geïntegreerd in de handelsvestigingswet.
“De regionalisering van de IKEA-wet blijft het ultieme doel, maar in afwachting daarvan moet Vlaanderen binnen de contouren van haar eigen bevoegdheden een sterk winkelbeleid op poten zetten om de negatieve evolutie op termijn te keren en de kleinschalige detailhandel in Vlaanderen terug van de nodige zuurstof te voorzien,” stellen Bothuyne en Fournier. Vlaanderen moet dus de eigen bevoegdheden maximaal invullen.
Ze namen zelf het initiatief en ontwikkelden 10 vuistregels die de Vlaamse regering en haar bevoegde minister moeten toelaten versneld werk te maken van een Vlaams winkelbeleid.
Robrecht Bothuyne en Martine Fournier zetten de meest frappante elementen van hun plan even op een rijtje: “Essentieel in de visie die we ontwikkelen is de overtuiging dat winkelen een activiteit is die in principe in de kern van steden en gemeenten moet plaats vinden. Grootschalige winkelcentra moeten ingeplant worden in speciaal daarvoor in de bovenlokale ruimtelijke structuurplannen voorziene zones. De nieuwe Vlaamse procedure moet met het oog op eenvoud maximaal geïntegreerd worden in de bestaande procedures van de ruimtelijke ordening.. Daarnaast moeten lokale besturen geresponsabiliseerd worden. Ze krijgen minstens vergunningbevoegdheid voor winkels tot 2.000m² en moeten voorzien in de afbakening van kernwinkelgebieden.”

